press

Aus der Vogelperspektive

De eerlijke taal van Petra Ardai

"Space": Passanten als Statisten

Wenn Theater in die Welt einbricht

De zomerse verleiding van zoet kokos-ijs

Podiumkunstendag in Hoorn

‘Op maandag 26 sept. is in Hoorn duidelijk merkbaar hoe groot de kloof is tussen de ambities van theatermakers en de benauwdheid van hun gastheren…’ ‘In Hoorn is het ruimer denken vrijwel uitgebannen, en ik denk niet dat dit alleen de schouwburg- medewerkers zelf valt aan te rekenen. In hun beheerszucht van een kunstvorm die bestaat van het onbeheersbare scheppen lokale en rijksoverheden in de schouwburgen in Nederland een sfeer van angst voor alles behalve het gemiddelde…’

‘ Een paar dagen later zie ik The Place Where We Belong van de kleine theatergroep Space. Petra Ardai noemt zichzelf een positieve migrant: 17 jaar geleden kwam ze voor de liefde naar Nederland. Ze paste zich voortreffelijk aan en leerde van dit land vol verkleinwoordjes houden. Maar sinds 2 november weet ze niet meer of ze hier thuishoort. “In Boedapest voel ik me als een toerist die op een merkwaardige manier alle straten kent. Zo voel ik me nu ook in Nederland.”
Aan willekeurige voorbijgangers stelt ze de vraag die ze eerder nooit hoefde te stellen: “Moet ik blijven of moet ik terug?”

In een ragfijne, uiteindelijk hoopvolle voorstelling weerlegt ze (Petra Ardai) het gesputter van Hoorn. Dit is geen journalistiek en geen moralisme, dit is puur theater. Met een huizenhoog moreel dilemma bovendien. De schouwburg die bereid is zijn vloer voor haar informele sociëteit te ontruimen, verandert vanzelf van stationhal in een stadstheater.’

Gewaagde sprong naar de straat

'Blijven natuurlijk.' De voetgangers in de Lange Viestraat in Utrecht twijfelen niet. Als je hier al zeventien jaar woont en je bent zo ingeburgerd als de Hongaarse theatermaakster Petra Ardai – werk, kind en man – is het antwoord op de vraag of ze moet blijven of weggaan simpel. Je laat je toch niet wegjagen door mensen die daar op uit zijn?

In The Place Where We Belong stapt Ardai met microfoon en camera op passanten af om haar ‘inburgeringcrisis’ te bespreken (lees: bespreekbaar maken). Na de moord op Theo van Gogh voelde deze Positieve Migrant de mentaliteit verharden.

Maar haar onrust begon al eerder, met de geboorte van haar dochter. Opeens voelde ze de behoefte om weer Hongaars te spreken, met haar kind, en merkte ze hoe dat in het openbaar leidde tot afstandelijke, infantiele reacties – van de juf op school, maar ook van onbekenden in de groentewinkel. Betutteling? Betrokkenheid zegt haar echtgenoot, theatermaker Luc van Loo, die vindt dat ze alles wat luchtiger moet nemen. Net als het publiek kijkt hij op Ardai neer, door het raam van de derde verdieping van de HKU. Koptelefoons maken haar straatinterviews verstaanbaar, televisieschermen halen haar gefilm naar boven. Op gezette tijden wordt de live-Ardai weggedraaid en horen we haar zachte, rustige stem dagboekachtige teksten over het alledaagse leven met haar kind lezen.

Ardai wordt, althans bij de première, op straat warm bejegend. Door de jongeman met hamburger, door het studentikoze stel en door de twee medeallochtonen. Wat een modelburgers.

De combinatie van film en hoorspel, van documentair en theatraal, van ruw en gepolijst maakt The Place Where We Belong gewaagd, intiem en kwetsbaar en tot een unieke uitsnede van de realiteit.

colophon